<<<

juni

De boogschutter

In een land hier ver vandaan leefden een koning en een koningin. Ze hadden één zoon. Hij had bijna de leeftijd bereikt om de taken van zijn vader over te nemen. Hij had nog één leerschool te doorlopen: de boogschuttersuniversiteit. Het land was namelijk beroemd om zijn goede boogschutters en de koning was de allerbeste. Dus de zoon had de taak de beste boogschutter van het land te worden. Hij ging naar de universiteit en leerde alles wat nodig was om de allerbeste boogschutter te worden: hij leerde zijn hartslag reguleren, zijn ademhaling zo te gebruiken dat de pijl moeiteloos op zijn doel afging. Hij spande en ontspande zijn spieren. Hij werd een met de boog, de pijl, het doel. Kortom hij verliet de universiteit als de allerbeste boogschutter. Blij ging hij op weg naar huis. Hij liep op zijn tocht door een klein dorpje. Langs de kant van de weg was een houten schutting. En op die schutting waren allemaal pijlen op de getekende doelen geschoten. Sommige van grote afstand, sommige van dichtbij, sommige in een schuine hoek, sommige van recht voor. Grote en kleine pijlen. Lichte en zware. En het merkwaardigste was dat alle pijlen in de roos waren. Dat kan niet, dacht de koningszoon, alle pijlen in de roos. Dat zou mij niet eens lukken! Op dat moment kwam er een dorpeling langs. De koningszoon sprak hem aan. ‘Vertel me wie deze grote boogschutter is, laat me met hem kennismaken.' De dorpeling zei: 'Ik weet niet of u dat echt wil weten.''Jawel, jawel', zei de koningszoon, 'haal hem.' De dorpeling ging weg en kwam even later terug met een oude, wat mank lopende man. Wat?, dacht de koningszoon, is dit dan degene die zoveel beter schiet dan ik? Hij begroette de man beleefd en zei: ‘Vertel mij uw geheim, hoe lukt het u al die pijlen in de roos te schieten.’ De oude man begon te grinniken. ‘Ach’, zei hij, ‘u schiet de pijlen en probeert het doel te raken. Ik schiet de pijlen en teken de roos erom heen.’